Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10) (#indonesie) « terug

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 10)

 

Men zegt dat Indonesisch eten zo scherp is omdat het vroeger nogal eens bedorven was en dan proefde je dat tenminste niet. Net zoiets als uitjes bij haring. Gelukkige hebben ze nu iets nieuws gevonden: formaline. Hetzelfde spul waarmee lijken worden gepreserveerd. Vooral vis moet het ontgelden. Maar ook tahu en mie krijgen hun portie. Op zich logisch, want goedkoop en makkelijk te verkrijgen. Een beetje jammer is alleen dat het nogal giftig is en doorgaans ernstige zenuwafwijkingen en invaliditeit tot gevolg heeft.

Niks te halen
En ineens is een gebakken visje op de markt een stuk minder aantrekkelijk. De duurdere restaurants hebben contracten met mannetjes die met een hengel een verse vis voor ze uit het water trekken. Het goedkope grillstalletje aan de straat haalt zijn vis echter van een boot die een paar weken op zee heeft rondgevaren. En aangezien je kunt kiezen tussen een goedkoop koelsysteem en een duur, kiezen veel vissers voor de eerste. En de rest van het vertragingsproces mag de formaline oplossen. De civiele dienaren van het volk grijpen natuurlijk alleen in als er wat te halen valt. Zo nu en dan is er een schandaal bij een grote producent. Maar de kleine vissers en de marktstalletjes blijven – wegens geen geld te halen – buiten schot. In Kupang heb je de Pasar Malam. Dat is een typisch marktje om formaline te eten. DeLonely Planet is er lyrisch over. Maar Edwin, de eigenaar van Lavalon Bar eet er niet. Vanwege de kanker die je er volgens hem van krijgt. Volgens hem kun je het zien aan de totale afwezigheid van vliegjes. Die weten blijkbaar wel beter.

Lavalon is bizar. Het zit aan de kust van Kupang aan de Jalan Sumatra. Blijkbaar hebben Indonesische ambtenaren net zo weinig inspiratie waar het gaat om het verzinnen van straatnamen als de Nederlandse. Kupang is overigens de hoofdstad van West-Timor. In Lavalon is gratis en snel internet voor toeristen en expats. Niet alleen wanneer het open is, maar ook als het gesloten is. Je kunt er op ieder moment van de dag al dan niet in het donker gaan zitten downloaden. De eigenaar vindt dat mooi. “Ook als ik niets verkoop is het een goeie zaak als hier mensen zijn. En dat internet heb ik zelf toch nodig, dus ik betaal er toch al voor.” Op zich een mooi standpunt natuurlijk. Maar het blijft een raadsel waarom de wifi wel beveiligd is, terwijl het wachtwoord op de muur geschreven staat.

 

Hagelslag-kaas donuts
Ondanks dat Indonesisch eten door veel mensen als scherp wordt ervaren is het eigenlijk vooral zoet. Het schijnt dat ketjap op die manier is ‘bedacht’. De Japanners introduceerden sojasaus in Indonesië. Indonesiërs vonden het mooi spul, maar smerig. Dus suiker erdoor en klaar: een nieuw topproduct was geboren. Als je zwarte koffie bestelt, krijg je deze vaak standaard met suiker erin. Je moet expliciet aangeven dat je geen suiker wilt. Tenzij je natuurlijk van koffie met suiker houdt, maar dat spreekt voor zich. Ook in brood zit suiker. En daar bestaat een heel goede reden voor: anders is het namelijk niet zoet. Zelfs de mayonaise is hier nog zoeter dan in Nederland. En kaas: ook zoet. Je kunt hier zelfs donuts krijgen met de ene helft hagelslag en de andere helft kaas. Maar dat is minder goor dan het lijkt, want die kaas is dus zoet. En verse jus d’orange smaakt ook meer naar rietsuiker dan naar sinaasappel.

Orgie van toerisme en vermaak
In plaatsen als Kupang komen nog maar weinig toeristen. In de jaren negentig was het een grote orgie van toerisme en vermaak, maar door  de burgeroorlog van 2002 kwam daar de klad in.  En toen het daarna weer aantrok veranderde de Indonesische overheid de visumregels. Plotseling kon de toerist nog maar maximaal twee maanden in Indonesië blijven. En als je in twee maanden Indonesië wilt bekijken, dan ga je niet meer naar zo’n uithoek als West-Timor. Ook de Molukken en Papoea lijden onder de nieuwe regels. Behalve de lokale Indonesische xenofoben natuurlijk. Die kunnen zich elke dag opnieuw laven aan de vrijwel totale afwezigheid van buitenlanders. Waarom de Indonesische overheid de regels voor de visa heeft aangepast is voor Edwin geen raadsel: “Because they’re stupid.”

Shariawetgeving
Een andere uithoek  van Indonesië is Atjeh, gesitueerd op de noord-westpunt van Sumatra. Ook daar komt zowat geen toerist meer. Maar dat heeft ook een andere reden: shariawetgeving. Eindelijk kent Atjeh vergaande onafhankelijkheid. De Atjehers hebben er hard voor geknokt. Eerst tegen de andere Sumatranen, toen tegen de Nederlanders en toen tegen de centrale overheid. Hun overwinning resulteerde dus in shariawetgeving. Veel Atjehers vragen zich nu vertwijfeld af of het dit nu is waar ze voor gevochten hebben, maar dat zie je vaker. Een onafhankelijkheidsstrijd is en mooi ding, maar als hij klaar is gaan de fanatici aan de touwtjes trekken. En de fanatici in Atjeh trekken beslist een tandje harder dan strikt noodzakelijk. Denk aan de punkgemeenschap die recent een lesje basishygiëne kreeg.

Nederlanders zijn nog altijd mateloos impopulair in Atjeh. Maar daar hebben we het ook wel een beetje naar gemaakt. Tijdens de Atjeh Oorlog die grofweg van 1873 tot 1914 duurde, kwamen naar schatting zo’n honderdduizend mensen om, waaronder tweeduizend aan de Nederlandse kant. Een score van één op vijftig is genoeg reden voor blijvende haat en walging. In Atjeh zijn nog steeds een boel Hollandse begraafplaatsen. Atjehers gaan daar graag heen. Om te pissen.