Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5) (#indonesie) « terug

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

Redenen om nooit naar Indonesië te gaan (deel 5)

 

Indonesië zit vol met interessante mensen. In Bandung woont bijvoorbeeld John. Hij is afgevallen, want hij heeft open TBC gehad. Dat hij eigenlijk de voordeur niet mocht openen omdat open TBC nogal besmettelijk is, ‘vergat’ hij even toen – tijdens een kort verblijf in Nederland – twee agenten bij hem aanbelden om een openstaande boete van zo’n tienduizend euro te innen. “Ik had er toch niet om gevraagd dat ze langskwamen. Ik zei: ‘Jullie krijgen natuurlijk vaak de tering toegewenst. Nu heb je hem.’ Die agent vraagt: ‘Hoezo?’ Dus ik laat ze de papieren van de GGD lezen. Toen waren ze zo weg.”

John is eigenaar van een bar in Bandung en woont al zestien jaar in dezelfde plaats. Elk jaar is hij wel een paar maanden in Nederland: voor zijn handel, omdat hij Nederlander is, maar ook wel een beetje om de autoriteiten te zieken. De Nederlandse overheid en John zijn geen vrienden. Vandaar ook dat de politie alleen welkom is als John aan open TBC lijdt. Als de Belastingdienst bij hem langskomt, komen ze met tien man politie erbij.

 

Koning John
In Bandung heeft hij zijn eigen koninkrijk gesticht. Dat koninkrijk bestaat uit de eerder genoemde bar, zijn kasteeltje/huis en een immense hoeveelheid kleine rubberboertjes en letterzetters. Laatstgenoemde doen nagenoeg niets anders dan rubberen onderdelen of typeplaatjes voor klassieke brommers maken. Die worden in Nederland verkocht als restpartijtjes oorspronkelijke onderdelen. Maar ook als de koper weet dat ze zijn nagemaakt, zal hij er waarschijnlijk niet omheen kunnen: er bestaan nagenoeg geen rubbers meer van voor de oorlog.

In Nederland zat hij in het vastgoed, maar eind jaren negentig heeft hij alles verkocht. Hij heeft vooral veel verdiend aan krakers. Althans door gekraakte panden te kopen en vervolgens de krakers er uit te gooien. Ook had hij wat horeca-gelegenheden, waarvan de portiers hem graag kwamen helpen om een pandje te zuiveren van ‘arme studenten’ en ‘wereldverbeteraars’.

Eigenlijk hoort de Alberto Stegeman-aflevering over hoe je vloeistof een vliegtuig in moet smokkelen ook op het conto van John: “Ik was op Schiphol en moest wachten. Toen was de regeling dat je geen vloeistof mee mocht nemen net van kracht. Dus ik vroeg me natuurlijk af hoe je die kunt omzeilen. Even later had ik het bedacht. Alberto Stegeman gebeld en die had meteen interesse. Ik heb een gesprek met hem gehad, waarin ik zei dat ik 25.000 euro wilde om het helemaal uit te leggen. Hij moest dat overleggen en zou erop terugkomen. Blijkbaar heb ik te veel losgelaten, want toen ik niets van hem hoorde ben ik met Peter R. de Vries gaan praten. We hadden het contract al liggen en toen was die uitzending van Stegeman. Daar baalde ik goed van.”

 

Marlboro en vogeltjes
Sinds hij in Indonesië is, heeft hij websites gehad waar je sigaretten of dvd’s kon bestellen. Toen de douane er op een gegeven moment teveel in beslag nam, heeft hij het groter aangepakt. Containers met sigaretten tussen de tuinstoeltjes. Nadat hij twee keer controle had gehad van de douane – weliswaar zonder gepakt te worden – had hij er tabak van. Dat Indonesische Marlboro anders smaakt dan de Nederlandse maakt volgens hem niet uit: “Ze waren niet aan te slepen.”

Achter in zijn tuin zijn wat mannetjes bezig zijn vogelkooi van een nieuw dak te voorzien. John houdt wel van vogeltjes; net als zijn vader. “Die pa van me was ook een beetje een boef. Hij was mollenvanger, maar stroopte ook en ving vogeltjes. Dat was verboden. Dan plaatste hij een lijmstok en dan wachten tot er een vogeltje op ging zitten. Op de vraag waarom hij dat stokje had geplaatst antwoordde hij de rechter dat hij mollen aan het vangen was. Zei de rechter: ‘maar zo kun je toch geen mollen vangen.’ Zei die ouwe van me: ‘Maar ik mag het toch wel proberen?’ “

Naast zijn handel in sigaretten heeft hij ook een wietplantage gehad. Niet op zijn eigen naam natuurlijk, maar de manier waarop hij was opgezet en verstopt, kwam wel uit zijn koker. “Als iets niet mag, dan ga ik nadenken over hoe het toch kan. De plantage werd opgerold, omdat die maat van me met wie ik het deed werd verdacht van moord en dus gevolgd werd door de politie. Hij had de moord overigens niet gepleegd, maar de politie was zich ondertussen wel gaan afvragen wat hij toch bij die loods moest. De politie zei later dat ze nog nooit zo’n goed verstopte plantage hadden gezien.”

Hij heeft het bij een keer gelaten, net als dat hij, toen hij steeds bijna gepakt werd, snel klaar was met de sigarettensmokkel. “Het moet wel leuk blijven. Ik zie het allemaal als kwajongensstreken. Ik doe niemand kwaad.” Is getekend: John.